Buitengerechtelijk dwangakkoord.

Wanneer een onderneming in een situatie terechtkomt, dat zij haar verplichtingen niet meer kan nakomen, is een faillissement dikwijls onvermijdelijk. Wanneer een sanering van de schuldenlast – naast herstructurering en kostenbesparingen – perspectief biedt op een financieel gezonde voortzetting van de onderneming, passeren meerdere mogelijkheden de revue. 

Men kan dan denken aan een faillissement, waarna uit de boedel een doorstart met overname van activa, goodwill en (een deel van het) personeel wordt gerealiseerd. Deze kan tot op zekere hoogte worden voorbereid, maar blijft uiteindelijk afhankelijk van de medewerking van de curator en de goedkeuring door de rechter-commissaris. 

Een andere optie kan zijn het aanbieden van een akkoord aan de schuldeisers.  De faillissementswet voorziet zowel in faillissement als in surseance van betaling in een procedure waarbij een akkoord aan de crediteuren kan worden aangeboden. Zowel procedurele als inhoudelijke voorschriften en toezicht door curator of bewindvoerder en uiteindelijk bekrachtiging door de rechtbank beogen de belangen van de gezamenlijke crediteuren te waarborgen, met name tegen de achtergrond van het feit dat een dergelijk akkoord voor de crediteuren verbindend is, ongeacht hun eventuele tegenstem.
Een gerechtelijk akkoord vanuit faillissement of surseance is niet alleen tijdrovend en kostbaar, maar vooral de publieke bekendmaking van een faillissement of surseance heeft voor de onderneming ongewenste gevolgen: de verhouding met financiers, leveranciers en afnemers wordt problematisch: zekerheden dreigen te worden opgeëist, leveringen worden opgeschort of slechts tegen verzwaarde condities uitgevoerd, overeenkomsten dreigen te worden opgezegd, etc.

Een deel van deze bezwaren, met name de publieke bekendheid, ontbreekt bij een onderhands of buitengerechtelijk crediteurenakkoord. Om deze reden wordt in de praktijk dikwijls onderhands een akkoord aangeboden aan de crediteuren. Een onderhands akkoord is echter gebaseerd op overeenstemming met alle concurrente en preferente crediteuren en is dus alleen bindend voor die crediteuren die daarmee hebben ingestemd. Een buitengerechtelijk akkoord is dus geen dwangakkoord. Uitgangspunt is dat een crediteur recht heeft op voldoening van zijn vordering; hij heeft het recht om een voorstel voor een akkoord te weigeren. Daar echter een onderhands akkoord (meestal) eerst tot stand komt wanneer alle betrokken crediteuren meewerken, wordt in veel gevallen getracht de weigerachtige crediteur door een gerechtelijke procedure te dwingen tot medewerking aan het aangeboden akkoord. 

De Hoge Raad heeft zijn arrest d.d. 12 augustus 2005 hierover geoordeeld, dat bij een buitengerechtelijk akkoord dat volgens de gewone regels van het verbintenissenrecht tot stand komt, de schuldeiser in beginsel vrij is om het hem door de schuldenaar aangeboden akkoord (inhoudende betaling van een beperkt deel van zijn vordering tegen afstand van het restant) te weigeren. Dit kan uitzondering lijden indien er sprake is van misbruik van bevoegdheid door de schuldeiser en hij aldus naar redelijkheid de aanvaarding van het aanbod niet had kunnen weigeren. Er is sprake van misbruik van bevoegdheid (om niet in te stemmen met het akkoord) door de schuldeiser indien hij zijn bevoegdheid gebruikt met geen ander doel dan een ander te schaden of niet in redelijkheid tot uitoefening van zijn bevoegdheid had kunnen komen indien er sprake is van onevenredigheid tussen het belang van de uitoefening van de bevoegdheid en het belang dat daardoor wordt geschaad. 
Om een dergelijke belangenafweging mogelijk te maken zullen zowel schuldeiser als schuldenaar hun wederzijds belang deugdelijk moeten onderbouwen. De schuldenaar dient onder andere tenminste een volledig en onderbouwd inzicht te geven in zijn vermogenspositie en schulden en aan te tonen dat het niet verlenen van medewerking aan het akkoord leidt tot een faillissement met een (aanmerkelijk) lagere uitkering dan in geval van het akkoord. Ook zal een substantieel aantal crediteuren moeten instemmen met het aangeboden akkoord.
De belangenafweging door de rechter is afhankelijk van de omstandigheden van het individuele geval, waarbij de hiervoor genoemde uitgangspunten indicatief zijn.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Jan Hage. 

Direct contact