In de overeenkomst staat: Partijen hebben niet beoogd een arbeidsovereenkomst aan te gaan. Houdt dat stand bij de rechter?

Hierover heeft de Hoge Raad op 6 november 2020 in de zaak X/gemeente Amsterdam (ECLI:NL: HR: 2020:1746) een belangrijke uitspraak gedaan. De Hoge Raad overwoog:

Anders dan uit het arrest Groen/Schoevers wel is afgeleid, speelt de bedoeling van partijen dus geen rol bij de vraag of de overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst.

Wat was er aan de hand?

X (een oudere werkneemster) was sinds 1 november 2009 werkloos. Zij ontving van de gemeente Amsterdam een uitkering op grond van de Wet Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW). X was via het Re-integratiebedrijf Amsterdam op grond van een zogenaamde Plaatsingsovereenkomst werkzaamheden bij de gemeente Amsterdam gaan verrichten als servicedeskmedewerker. De werkzaamheden waren onbetaald; X deed de werkzaamheden voor de periode van twee maal een half jaar. Zij behield haar IOAW-uitkering.

Op een gegeven moment heeft X aan de gemeente geschreven dat haar wens naar een betaalde baan uitging en dat het zuur was dat zij met een minimumuitkering te midden van goed betaalde ambtenaren volwaardig medewerkers op het stadhuis hielp en zelfs voor meer klussen werd gevraagd. X opperde dat, gezien de binnen de gemeente spelende reorganisatie en haar ervaring daarmee, er wellicht een tijdelijke betaalde klus voor haar was.

De gemeente deelde mee dat dit niet mogelijk was. X ontving wel tweemaal een premie van € 233,90 omdat zij gedurende twee keer zes maanden voldoende had meegewerkt aan het participatietraject.

X startte een procedure bij de rechter. Zij stelde dat zij van 11 april 2014 tot 1 april 2015 bij de gemeente Amsterdam werkzaam was geweest op basis van een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art 7:610 BW. Zij vorderde o.a. € 31.372 bruto aan achterstallig loon. De kantonrechter en het hof wezen de vordering van X af met als argument dat tussen X en de gemeente Amsterdam geen arbeidsovereenkomst had bestaan. X ging vervolgens naar de Hoge Raad.

Om een arbeidsovereenkomst te hebben moet de overeenkomst aan vier elementen voldoen:

  1. verplichting tot het verrichten van (persoonlijke) arbeid;
  2. verplichting loon te betalen;
  3. gedurende zekere tijd; en
  4. in dienst van de andere partij (gezagsrelatie).

Nadat de Hoge Raad in 1997 het bekende Groen/Schoevers arrest had gewezen, is men in de literatuur en ook in de lagere rechtspraak (kort gezegd) er vanuit gegaan dat veel belang toekomt aan de vraag of partijen een arbeidsovereenkomst hebben beoogd. De partijbedoeling is meer centraal komen te staan.

Maar in dit arrest blijkt duidelijk dat de bedoeling van partijen geen rol speelt ten aanzien van de vraag of er een arbeidsovereenkomst bestaat. Het ‘etiket’ dat partijen op de overeenkomst plakken is niet van belang. Het gaat om de vraag: welke rechten en plichten zijn partijen overeengekomen.

Dit alles hielp mevrouw X overigens niet. De Hoge Raad oordeelde dat zij geen arbeidsovereenkomst had omdat zij geen loon van de gemeente Amsterdam ontving. De stimuleringspremie van 233,90 is volgens de Hoge Raad niet te beschouwen als loon.

Vragen over dit onderwerp? Neem contact op met mr Marjan Hoogsteen.

Direct contact